Maandenlang stond de as van haar vader in de asbus van het crematorium. Nog in de tas waarin ze die had meegekregen, in de kast onder de trap.
Ze had nog niets gevonden dat bij hem paste.
Haar vader was een man van zijn handen. Hij kon hout zo glad maken dat je er met je vingers overheen wilde blijven gaan. Wat hij moeilijk kon zeggen, leek hij soms wel te kunnen maken. Zijn liefde zat in een plank die hij nog een keer schuurde. In een meubelstuk waar hij alle tijd voor nam. In iets wat hij voor je repareerde zonder er veel woorden aan vuil te maken.
Hij kon koppig zijn. Wat stug, soms. Maar in zijn werk zat geduld. En aandacht.
Toen ze de houten Tray zag, moest ze meteen aan hem denken.
Massief eikenhout. Warm en stevig. Precies het soort materiaal dat hij zelf zou hebben uitgekozen. Ze zag al voor zich hoe hij de Tray zou optillen en voorzichtig omdraaien. Zijn ogen een beetje samengeknepen, zoals altijd wanneer hij iets goed gemaakt vond.
Ze streek met haar hand over het hout.
Even was ze terug in zijn werkplaats. De geur van zaagsel. Het vertrouwde geluid van zijn gereedschap. Zijn handen, die altijd wisten wat ze moesten doen.
In zijn laatste jaren was dat steeds moeilijker geworden. Ze wist hoeveel hij dat had gemist. Iets kunnen maken, iets kunnen oplossen. Daar had altijd zoveel van hem in gezeten.
Terwijl ze de Tray vasthield, dacht ze ook aan de woorden die tussen hen vaak onuitgesproken waren gebleven.
Je hebt je best gedaan.
Ik weet het.
Het is goed.
Ik ben trots op je.
Ze had ze graag van hem gehoord. Misschien had hij ze wel willen zeggen. Ze zou het nooit helemaal weten. Maar in het hout herkende ze iets van de manier waarop hij om haar had gegeven.
‘Deze past bij je, pap,’ zei ze zacht.
Thuis nam ze rustig de tijd om zijn as vanuit de asbus in de Tray over te brengen. Ze had zich afgevraagd hoe dat zou voelen. Maar toen ze ermee bezig was, voelde het goed. Ze gaf hem een plek die ze met aandacht had gekozen. Een plek die iets van hem liet zien.
Daarna zette ze de Tray in de woonkamer. Een kamer waar hij zelf nooit was geweest, maar waar ze zich hem moeiteloos kon voorstellen.
Bovenop legde ze iets van zijn oude gereedschap. Zijn horloge kwam erbij. En een foto waarop hij achteroverleunde in een stoel, een dikke sigaar in zijn hand. Die glimlach. Alsof hij net iets had gezegd waar hij zelf het hardst om moest lachen.
Ze kon de tabak bijna ruiken. En het zaagsel.
Nu zegt ze soms iets als ze langsloopt.
‘Goedemorgen, pap.’
Of gewoon:
‘Fijn dat je er bent.’
De Tray staat tussen de dingen van haar eigen leven. En toch heeft hij er zijn plek gevonden. In het eikenhout, in zijn horloge, in die ene foto waarop ze hem meteen weer herkent.
Soms blijft ze even staan.
Dan voelt het rustig tussen hen.
Het is goed.
Sommige liefde wordt zonder veel woorden gegeven.
En blijft op diezelfde manier dichtbij.
Lees verder

‘Ik wil dat je iets moois hebt. Iets waarin ik bij je kan blijven, dat ook gewoon past in jouw huis.’

De meeste dagen stond hij thuis. Op het dressoir, tussen de boeken of naast haar bed. Een vertrouwde aanwezigheid. Ze liep er vaak langs zonder erbij stil te staan. Tot er zo’n moment kwam. Een moe...







